Meld je aan voor mijn nieuwsbrief

Ik zal niet spammen.

Subscribe Elmar Noteboom cover image
Elmar Noteboom profile image Elmar Noteboom

Wat moeten we anders doen als wat we deden niet meer werkt?

Ondanks dat ik momenteel in Berlijn zit, ontgaat het nieuws me natuurlijk niet. Deze week kwamen nieuwe cijfers naar buiten over de acceptatie van homoseksualiteit onder jongeren. Die zijn zorgwekkend.

Wat moeten we anders doen als wat we deden niet meer werkt?

In 2017 was InDifferent net opgericht en bestond het nog uit een groep van ongeveer 25 leerlingen. Zij wilden meer leerlingen bij InDifferent betrekken en besloten daarom een campagne te maken.

InDifferent was vanaf het begin opgericht vanuit een breed idee over diversiteit. We wilden niet één minderheid tegenover de norm zetten, maar juist laten zien dat iedereen onderdeel is van een diverse school. Natuurlijk moest er ruimte zijn voor specifieke thema’s als seksuele en genderdiversiteit, maar als onderdeel van een groter gesprek over verschil, erbij horen en jezelf kunnen zijn. Een veilige en respectvolle school is tenslotte niet alleen de verantwoordelijkheid van minderheden, maar van iedereen.

Vanuit dat idee besloten we leerlingen en docenten te vragen hoe zij eigenlijk naar diversiteit keken. We interviewden hen over anders zijn, erbij horen en jezelf kunnen zijn. Uit ieder gesprek kozen we één uitspraak. We maakten posters met een foto van de persoon en de uitspraak erop, lieten die duizend keer drukken en gingen op vrijdagmiddag, toen de school leeg was, aan de slag.

We hingen de foto's overal op. In de gangen, bij de lokalen, op deuren, eigenlijk op alle mogelijke plekken. Toen de leerlingen maandagochtend binnenkwamen, was hun school veranderd. Overal zagen ze schoolgenoten, vrienden, docenten en soms zichzelf. Tientallen gezichten, met uitspraken over verschil. Het sloeg in als een bom. Iedereen had het erover. Leerlingen stonden voor de foto's, zochten zichzelf en elkaar op en lazen de uitspraken.

Het is nog steeds een van de mooiste Paarse Vrijdagen die ik heb meegemaakt. De hele school leek eraan mee te doen. Leerlingen voelden zich gezien en de school liet heel zichtbaar zien: hier mag je zijn wie je bent.

Deze week moest ik daar opnieuw aan denken. Uit het nieuwe landelijke HBSC-onderzoek van de Universiteit Utrecht en het Trimbos-instituut blijkt dat de houding tegenover homoseksualiteit onder jongeren tussen 2021 en 2025 sterk is veranderd. Onder jongens in het voortgezet onderwijs daalde het percentage met een positieve houding van 40 naar 22 procent. Onder meisjes daalde het van 78 naar 51 procent.

Ik zit inmiddels op afstand in Berlijn en kan er weinig anders mee dan erover nadenken en schrijven. Want hoewel de cijfers me raken, roepen ze bij mij ook een andere vraag op.

Zou die campagne uit 2017 vandaag nog hetzelfde effect hebben?


Het beeld is ingewikkelder dan alleen deze daling. Onderzoek van de Universiteit van Amsterdam onder ruim 31.000 jongeren liet eerder dit jaar zien dat een meerderheid van de jongeren vindt dat iedereen gelijkwaardig is, ongeacht op wie je verliefd wordt (59%), en dat je zelf mag bepalen op wie je verliefd wordt (65%). Over concrete en zichtbare uitingen zijn jongeren veel terughoudender. Zo is 41% tegen het vieren van Paarse Vrijdag op alle scholen en 32% voor. De UvA-onderzoekers vonden tussen 2021 en 2024 bovendien slechts een kleine verschuiving naar terughoudender opvattingen en spreken daarom over een grotendeels stabiel beeld.

Die onderzoeken meten verschillende dingen en kunnen dus niet één op één met elkaar worden vergeleken. Dat verschil vind ik interessant. Gelijkwaardigheid en de manier waarop we die gelijkwaardigheid zichtbaar proberen te maken, zijn blijkbaar niet hetzelfde. Dat is waar voor mij de vraag begint die deze nieuwe cijfers oproepen.

Mijn collega's bij InDifferent en ik merken al langer dat er in klassen iets aan het veranderen is. Gesprekken over seksuele en genderdiversiteit roepen vaker weerstand op. Dingen die een aantal jaren geleden relatief vanzelfsprekend leken, zijn dat niet meer. Dat vind ik pijnlijk, maar het dwingt ook tot een ongemakkelijke vraag: wat als de manieren waarop we de afgelopen decennia aan lhbtiq+-emancipatie hebben gewerkt niet meer automatisch werken in de context van vandaag?

Sinds die eerste campagne heb ik namelijk ook de andere kant gezien. Hoe Paarse Vrijdag op sommige scholen steeds meer weerstand opriep. Hoe de regenboogvlag niet langer vanzelfsprekend als uitnodiging werd gelezen, maar soms juist het strijdtoneel werd waarop leerlingen voor of tegen iets moesten zijn.

Daarom denk ik dat we kritisch moeten durven kijken naar onze eigen methoden. En ja, ook naar die van InDifferent. Wat heeft gewerkt? Wat werkt nog steeds? Waar houden we misschien vast aan vormen omdat ze vertrouwd zijn, terwijl de maatschappelijke context inmiddels veranderd is?

Zichtbaarheid is belangrijk, maar zichtbaarheid alleen is nog geen pedagogische strategie. Als een school ons vraagt wat zij kan doen, zou mijn eerste advies daarom niet zijn: organiseer een nieuw lhbtiq+-project. Leg een regenboogtrap aan. Hang meer vlaggen en posters op. Ik zou ergens anders beginnen, bij de school zelf. Wat voor gemeenschap willen wij zijn? Welke waarden zijn hier niet onderhandelbaar? Hoe gaan wij om met verschil? Wat betekent gelijkwaardigheid concreet in onze gangen, lessen, docentenkamer en schoolleiding? En hoe communiceren wij dat naar alle betrokkenen, zodat iedereen dit weet?

Gelukkig ligt daarvoor in Nederland een stevig fundament: de Grondwet. Gelijkwaardigheid en het verbod op discriminatie zijn geen marketingcampagne en geen themaweek. Ze zijn een uitgangspunt. Een school hoeft wat mij betreft dan ook geen regenboogidentiteit aan te nemen om glashelder te zijn over gelijkwaardigheid. Iedere docent zou moeten kunnen uitstralen: op deze school mag je verschillen van een ander. Je mag anders denken, geloven, liefhebben, leven of naar de wereld kijken. Maar discriminatie, vernedering en uitsluiting accepteren we niet.

Bij InDifferent zijn we lhbtiq+ steeds minder als een geïsoleerd onderwerp gaan behandelen. Seksuele en genderdiversiteit zijn onderdeel van een groter verhaal: het verhaal van mens-zijn. Diversiteit gaat namelijk niet alleen over minderheden. Zodra we met jongeren — en volwassenen trouwens ook — door middel van verschillende werkvormen gaan onderzoeken wie er eigenlijk precies aan ‘de norm’ voldoet, blijkt die norm behoorlijk fictief. We verschillen in afkomst, gender, seksualiteit, lichaam, geloof, sociaaleconomische positie, gezin, mogelijkheden, ervaringen en overtuigingen. Vrijwel iedereen kent de ervaring ergens wel of niet bij te horen.

Dan ontstaat een ander gesprek, dat niet begint met de vraag: ‘Hoe leren we jou om die ander te accepteren?’, maar met: ‘Hoe leren wij met elkaar leven terwijl we allemaal verschillend zijn?’

Dat lijkt misschien een klein verschil in formulering, pedagogisch is het volgens mij een fundamenteel verschil. In het eerste geval maken we iemand anders tot onderwerp van het gesprek: een groep die begrepen, geaccepteerd of beschermd moet worden. In het tweede geval zijn we allemaal onderdeel van het vraagstuk. Verschil is dan niet iets van een minderheid, maar een gegeven van iedere gemeenschap.

Daarom hoop ik dat deze cijfers niet alleen leiden tot meer van wat we al deden. Niet automatisch meer campagnes, meer symbolen, meer themadagen en hardere boodschappen. Maar eerst onderzoek.

Wat gebeurt er werkelijk in onze klassen? Waar komt weerstand vandaan? Wanneer bereiken we jongeren wel en wanneer verliezen we ze? Welke rol spelen docenten, ouders, sociale media, leeftijdsgenoten en de cultuur van een school? En durven organisaties die zich al jaren voor emancipatie inzetten ook hun eigen aanpak opnieuw te onderzoeken?

Daar hoort InDifferent wat mij betreft nadrukkelijk bij. In Arnhem staan we aan de vooravond van het Roze Jaar. Ik zie deze cijfers als aanleiding voor een nieuw gesprek. Een gesprek waarin we niet alleen kijken naar wat er bij jongeren moet veranderen, maar ook naar onszelf: naar wat we doen, wat daarvan werkt en wat misschien niet meer werkt. Dat vraagt om zelfreflectie en de bereidheid om onze eigen aanpak ter discussie te stellen en waar nodig te veranderen.

We hebben nieuwe taal nodig, nieuwe werkvormen en misschien ook een andere attitude. Niet terugdeinzen voor weerstand. Emancipatie is te belangrijk om methoden te blijven herhalen wanneer de context verandert.

Minder zenden, meer onderzoeken. Minder vertellen wie de ander moet accepteren, meer onderzoeken hoe we met verschil kunnen samenleven. Niet minder duidelijk over gelijkwaardigheid, nee, juist duidelijker. Maar ook veel creatiever in de manier waarop we daar komen.

De belangrijkste vraag die deze cijfers bij mij oproepen is: wat moeten we anders doen? Ik nodig je uit om met me mee te denken.


Bronnen

HBSC 2025, Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland, Universiteit Utrecht & Trimbos-instituut, 2026.

Dekker, N.P., Bakker, B.N., Munniksma, A., Daas, R.J.M. & Van der Maas, H.L.J., De lhbtiq+-opvattingen van jongeren: een empirische studie, Universiteit van Amsterdam, 2026.

Elmar Noteboom profile image Elmar Noteboom
Ik onderzoek hoe we omgevingen ontwerpen waarin mensen tot hun recht komen.