Ik schreef al voordat ik kon schrijven. Op kladblaadjes maakte ik horizontale krullen, die plakte ik met plakband op mijn kastdeur. Mijn tante Linda kwam een keer mijn slaapkamer binnen en vroeg verbaasd wat dat was. ‘Ik oefen alvast met schrijven,’ zei ik in alle ernst. Ze barstte in lachen uit. Waarschijnlijk herinner ik me het daarom nog zo goed. Ik wilde waarschijnlijk gewoon graag groter zijn dan ik was. Eigenlijk heb ik dat nog steeds.
Mooie teksten waren nooit mijn doel. Eerlijk gezegd schreef ik nooit voor anderen, maar voor mezelf, om mijn gedachten te ordenen. Ik heb nogal een hard werkend brein, mijn gedachten gaan snel. Hier heb ik wel vaak moeite mee gehad. Bij InDifferent leverde dat regelmatig problemen op. Telkens wanneer ik een nieuw idee had, begon ik enthousiast aan de uitvoering. Ergens onderweg besloot ik dan dat het misschien ook wel handig was om de rest erbij te betrekken en het bestuur op de hoogte te brengen. Het bestuur vroeg me steeds om dat eerder te doen. Veel eerder, zodat zij er ook nog over konden meebeslissen. Ze waren immers mijn bestuur. ‘Ja, dat zal ik voortaan doen,’ beloofde ik. Tegen de tijd dat de volgende bestuursvergadering kwam, was ik alweer acht stappen verder.
Ik ga gewoon heel graag snel. Voor mij is dat geen probleem. Voor sommige mensen die met mij moeten samenwerken soms wel. Maar niet alles kan snel, sommige dingen kosten nou eenmaal tijd, dat besef ik me. Daarom wil ik mijn gedachten soms op papier zetten. Eerst ruw en als die daar eenmaal staan, kan ik ermee schuiven. Woorden veranderen. Zinnen verplaatsen. Stukken weggooien. Net zolang tot wat er staat overeenkomt met wat ik blijkbaar probeer te zeggen. Ik schrijf om te denken, denk ik. Om mijn gedachten te vertragen en te ordenen. Zo heb ik het altijd gedaan. Maar bijna nooit publiceerde ik iets. Ja, voor mijn studies en af en toe iets op LinkedIn over mijn werk. Maar mijn eigen gedachten hield ik meestal voor mezelf. Tot nu.
Precies twintig jaar geleden was ik hier ook. Dezelfde periode, de overgang van zomer naar herfst. Mijn favoriete periode in mijn favoriete stad. Ook toen dwaalde ik door Berlijn op zoek naar cafeetjes en parken om te zitten. Alleen tekende ik toen en nu schrijf ik. Mijn tekeningen deelde ik op mijn website en toen ik in 2016 tien jaar was afgestudeerd, gaf ik een boek uit met honderd tekeningen die ik sinds de kunstacademie had gemaakt. Ik gaf het de pragmatische titel Boek 1 en lanceerde het tijdens een expo waarvoor ik de wanden van café Tape had volgehangen met mijn tekeningen. Nog steeds ben ik blij dat ik dat heb gedaan. Niet omdat ik alles wat in Boek 1 staat even goed vind, maar omdat ik het gewoon heb gedaan, zonder er lang over na te denken. Ik wilde het, dus deed ik het.

Boek 1 impliceert dat er een Boek 2 komt. En ja, die komt, althans, dat is het plan. Boek 2 gaat over InDifferent. Van dichtbij had ik gezien hoe een groepje van 25 leerlingen uitgroeide tot een organisatie. Over wat werkte, wat mislukte, wat we verzonnen en wat onzichtbaar bleef omdat het zich achter de schermen afspeelde? Daar moest toch een boek in zitten?
Tijdens corona, toen de wereld stilstond en we allemaal werden gedwongen om onszelf binnenshuis te vermaken, greep ik de kans aan om aan dit boek te beginnen. Sindsdien ben ik ermee bezig. Het heeft in concept allerlei vormen gehad: van een soort ontstaansgeschiedenis tot een manifest, van een handboek voor docenten die een soortgelijke groep willen oprichten tot een studieboek over diversiteit op school.
Over een paar maanden bestaat InDifferent tien jaar en dat is een perfect moment om Boek 2 uit te brengen, dacht ik. Maar ondanks dat ik er de afgelopen jaren tijd in heb gestoken, wilde het niet lukken. Het was nooit mijn hoogste prioriteit. Er waren altijd projecten of klussen die het boek van de eerste plek afstootten. Overigens net als yoga, Spaans leren en oude vrienden opzoeken. Belangrijk, maar schijnbaar niet belangrijk genoeg. Dus besloot ik om het boek in Berlijn af te maken. Mooi plan, Elmar. Het boek is er nog steeds niet.
Toch ben ik hier veel gaan schrijven. Sommige dagen schrijf ik me helemaal suf. Soms als ik de deur uit ben, heb ik zin om naar huis te gaan om te schrijven. Over wat ik hier zie en meemaak. Mensen die ik leer kennen. Ouder worden. Spullen kopen. Mijn wensen. Wat ik met mijn leven wil. Wie ik mis en wie ik eigenlijk helemaal niet mis. In eerste instantie zag ik deze persoonlijke teksten totaal los van Boek 2. Het waren in mijn hoofd twee verschillende werelden: aan de ene kant mijn professionele werk en mijn ideeën over onderwijs, aan de andere kant mijn persoonlijke leven. Die moest ik netjes van elkaar scheiden, vond ik. Maar hoe meer ik schrijf, hoe minder logisch dat onderscheid voor me wordt.
Ook had ik een behoorlijk duidelijk beeld van wat Boek 2 voor mij moest doen. Het moest me op de kaart zetten als intellectueel. Inmiddels was ik wel bekend als doener in het onderwijs, maar kijk eens mensen: ik kan ook denken! Wie schrijft blijft. En daaamn, ik wil blijven! Ter inspiratie las ik Biesta, Arendt, hooks, Kahneman, Murakami, allemaal schrijvers met grote ideeën die ze ook nog eens uiterst erudiet kunnen opschrijven. Ik meette me aan hen. Telkens als ik een hoofdstuk af had, of zelfs maar een paragraaf, las ik het terug en dacht ik: is dit wel goed genoeg? Het antwoord was steevast nee. Ik miste iets, maar wist niet precies wat.
Inmiddels zie ik wat er misging. Ik was zelf niet aan het woord. Het was vooral het deel van mij dat heel graag slim gevonden wil worden. Dat deel bestaat, maar het is niet de hele Elmar. Wie ben ik dan wel? In ieder geval iemand met veel praktijkervaring en een hoop ideeën over hoe dingen beter kunnen. Maar ook iemand met humor, twijfel, irritatie en behoorlijk wat zelfspot. Ja, ik heb nogal veel persoonlijkheid, dat krijg ik al mijn hele leven van mijn omgeving te horen. Waarom zou ik dan uitgerekend in mijn teksten proberen te verdwijnen?
Een tijd geleden kreeg ik via ArtEZ de vraag om een tekst te schrijven over InDifferent, voor niets minder dan UNESCO. Mijn eerste betaalde schrijfopdracht. Behoorlijk spannend. Maar toen ik eenmaal aan het werk was, kreeg ik de lol erin. Op het moment dat ik de tekst uiteindelijk bij de redacteur inleverde, dacht ik: Shit, ik wil niet stoppen, ik wil verder. Waarschijnlijk kwam dat door de vorm. Geen boek maar een essay. Eén onderwerp, één vraag, een paar honderd of duizend woorden. Ik hoefde niet eerst te weten hoe alles met alles samenhing. Ik mocht ergens beginnen en al schrijvend ontdekken waar ik uitkwam.
Als tekendocent stimuleerde ik mijn leerlingen om het proces te delen. ‘Het gaat minder om het resultaat dan om het proces,’ zei ik altijd. Lekker hypocriet als je zelf zes jaar lang aan een boek blijft schaven omdat je pas iets wilt laten zien als het af en goed genoeg is. Nou, klaar daarmee. Hup, delen.
Dus bewaar ik mijn teksten niet meer op mijn laptop tot ik eindelijk zeker weet dat ze goed genoeg zijn. Ik zet ze online. Niet omdat ik al heel goed weet wat ik wil zeggen en heb uitgevonden hoe alles zit. Ik publiceer terwijl ik het nog aan het uitzoeken ben. Vind ik dat spannend? Ja. Vooral omdat anderen er iets van mogen vinden. Maar dat is precies waarom ik ze niet langer alleen op mijn laptop wil bewaren.
Misschien is er sinds mijn jeugd weinig veranderd. Ik schrijf iets, ik hang het op, alleen is de kastdeur nu mijn website.